Index basiswoordenlijst groep 4

Uit Wikikids
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Basiswoordenlijst groep 4. Bron:

A

aan de gang; aan de kant; aan de slag; aan het werk; aan het woord; aanbranden; aandoen; aandringen; aankomsttijd; aanmoedigen; aanplanten; aanraden; aanrijden; aantrekkelijk; aantrekken; aanvallen; aanvoeren; aanzetten; aardrijkskunde; aas; abonnement; achtbaan; achter staan; achterkleinzoon; achterlaten; achterom; achterstand; achtervolgen; actie; adres; afdrogen; afgeven; afgrijselijk; afkijken; aflikken; afloop; afschuwelijk; afsluiten; afspelen; afspraak; akker; alarm; alfabetisch; alleen; allerbelangrijkst; allerbest; anders; angel (wesp/bij); angstig; apotheek; artiest; arts; attractie; attractiepark; augurk

B

baan; baard; badkuip; bagage; bakken; baksteen; balanceren; balk; ballon; balpen; bangerik; bankstel; bedacht (verzonnen); beddengoed; bediende; bedienen; bediening; bedorven; bedrijf; beek; beetnemen; beetpakken; begroeien; behandeling; bejaard; bekaf; bekend voorkomen; belangstelling tonen; belevenis; belofte; belonen; bemanning; bereiden; bereidingswijze; beroep; beschrijven; beschuldigen; beschut; beschutting; bestemming bereiken; bestuurder; betoveren; betovering; beveiliging; bewijzen; bewolking; bezet; bijhouden; bijkomen; bijzonder (heel erg); biljet; bink; binnendringen; binnenkant; binnenkomen; binnenvallen; biscuit; bitter; blaar; bladeren; bladmuziek; bladrand; blaten; blazers; bleek; blender; blikpunt; bliksemen; bliksemflits; bliksemsnel; bliksemstraal; bloemist; bloemstuk; bloes; bodem; bodywarmer; boekenbal; boekenkast; boekenlegger; boeket; boete; bolster; bon; bonbon; boodschappenlijst; boomstronk; boosheid; bord; bordspel; borduren; boren; botsauto; botsen; bouillon; bouwvakker; braadpan; braden; braille; branding; breinaald; breiwerk; bretels; briesen; broodmaaltijd; broodmes; bruidskinderen; brullen; buil; buit; buitenkant; bullebak; bungalow; burcht; bureau

C

cadeau; camouflage; centimeter; centrum (middelpunt); ceremonie; chauffeur; cijferen; circus; closetrol; coach; concert; contact; contact opnemen; controle; crossen

D

daar komt niks van in; daarbinnen; daarheen; daaromheen; daarop; daarstraks; dagboek; danser; dapper; das; dat is niet pluis; dat is oppassen geblazen; de benen nemen; deegroller; deelnemen; deelnemer; dekbed; delen; denderen; deuk; deuntje; deur; de weg kwijt zijn; de weg weten; dichtbundel; diepe; diersoort; dik; directeur; discotheek; dobbelen; doe het zo; dof; dol van iets worden; dolblij; dolgraag; dollen; dons; doodop; dooien; door het dolle heen zijn; doorschijnend; doorvertellen; dopen; dorpsplein; draad; dragen; drassig; dresseren; droog; droogte; drukken; druppelen; dubbel; duiken; duisternis; dun; dutje; dwars; dwarszitten; dweil

E

een aanloop nemen; een gat in de lucht springen; een handje helpen; een hekel hebben aan; een hels lawaai; een kleur krijgen; een paar keer; een poging doen; een punthoofd krijgen; een trekje nemen; een wens vervullen; een zucht van verlichting; eerst; eerste hulp; eerstvolgende; eetbaar; eetkamer; eettafel; eigenwijs; eikel; elk; engerd; enig; enkel; enkele reis; enkelvoud; enzovoort; er als een berg tegenop zien; er genoeg van hebben; er helemaal weg van zijn; er op staan; ergens achter komen; ergens last van hebben; erin trappen; erna; eromheen; ervaring; eter; even; excuus

F

fabricage; fabriek; fantaseren; feesten; fietsenmaker; fietsenrek; fietsenstalling; fietspad; flaporen; flatgebouw; flauw; flauwvallen; fluiten; foetsie; fornuis; fors; fotomodel; fris (schoon)

G

gaaf; gaar; gaas; gaatje; gakken; galerij; garde; garen; gasten; gat (billen); gazon; gebaar; gebarentaal; geboorte; geboortedatum; gebouw; gebroeders; geduldig; geen mond open doen; geen zin meer hebben; gehoorzamen; gein hebben; geintje; gekleurd haar; geknoei; gekruld haar; gel; geldstuk; gelijkspel; geluksvogel; geranium; gereedschap; gerst; geruisloos; geruit; gesp; gesprek; gestalte; getijde; gevaarte; gevoel; gewas; gewei; gezang; gezin; giechelen; glad; glazenwasser; glibberen; glimlachen; goal; goed (bezit); golf; golven; gonzen; gorgelen; goudeerlijk; goudstuk; grappenmaker; greep; griezelen; grind; grof; grofvuil; grootouder; grootvader; gruwelijk; gum

H

haardvuur; haarlak; haarscheiding; haarspeld; hagel; halfbroer; halfstok; hals over kop; halte; hamburger; hameren; hand in hand; handbagage; handen uit de mouwen steken; handpalm; handschoen; handschrift; handvaardigheid; hanenkam; hangmat; hardhandig; hardhorend; hardlopen; harmonica; harnas; hebbes; heet; heimwee; held; helder; hele verhalen hebben; hendel; hengel; herfst; herhalen; herkennen; herstellen; het bevalt me; het gaat mis; het is een gedoe; het is uit met de pret; het komt voor elkaar; het lukt; het met iemand eens / oneens zijn; het spijt me; het staat vast; hier en daar; hier zo; hierna; hierop; hiervan; hiervoor; hijgen; hinkelen; hinken; hinniken; hoe zit dat; hoepel op; hoes; hoeslaken; hoeveel is het?; hoeveelheid; hoeven; hol; honing; hoofdstraat; hoofdstuk; hoogspringen; hoogste tijd; hooiberg; hoorbaar; hop; horen; horizon; houding; huishoudelijk; huisvrouw; huizenblok; huldiging

I

idee; idioot; ieder; iemand een lesje leren; iemand in de steek laten; iemand onder vier ogen spreken; iets in beslag nemen; iets in de gaten hebben; iets in je oren knopen; iets uit boosheid doen; iets veroorzaken; iglo; ijsbaan; ijsberg; ijskoud; ijzersterk; ik ben op jou; imker; in bloei staan; in de gloria; in de rij staan; in de war zijn; in de zenuwen zitten; in koor; in slaap vallen; in stukjes hakken; inademen; inbreken; inchecken; ingrediënten; innemen; inpikken; inspannen; instappen

J

jaarringen; janken; japon; je aan iets houden; je bent niet goed wijs; je een hoedje schrikken; je eigen zin doen; je ergens doorwurmen; je ergens tussendoor wringen; je niet lekker voelen; je niets aantrekken van; je ogen uitkijken; je rot schrikken; je voor iets opgeven; je vuist ballen; je zin krijgen; je zorgen maken; jeugd; jezelf zijn; jochie; jodium; jongelui; jongere; jonkheer; jonkie; journaal; junior

K

kaarten; kaartje; kaartspel; kabaal; kakelen; kalender; kameraad; kamerscherm; kanjer; kanonskogel; kantoor; kapsel; karwei; kattenluik; kattig; keeper; keer; keffen; kei; keizer; kelder; kerkhof; kerktoren; ketchup; keyboard; kies; kieuwen; kiezelsteen; kijker; Kinderboekenweek; kippenren; klaar is kees; klaarwakker; klacht; klank; klappertanden; kleinkind; kleinzoon; klepperen; kletsen; kliederen; klik; klikken; klimmen; klinker; klip (rots); klokken luiden; klomp; klont; kloppen; klotsen; kluif; kluit; kluiven; kluns; knaagtanden; knap gedaan; kneden; knetteren; knettergek; kniebuiging; knip; knol (wortel); knorren; knot; knuppel; koekenpan; koelkast; koepel; koets; kofferlabel; koffiekop; koken; koker; koning; koninkrijk; kont; kookboek; koord; kop (voorop); koprol; korf; kortdurend; koude; kous; kraaien; krab; kras; kreng; kroeshaar; krom; kronkelig; kroon; kruimel; kruk; kuif; kuit; kunstenaar; kunstgebit; kunstwerk; kurkdroog; kussensloop; kust; kwaken; kwal

L

laat maar zitten; laatst; ladder; laf; lafaard; Lagere School; laken; lam; landelijk; langdurig; langskomen; languit liggen; lantaarn; lap; last hebben van; lastig; lastigvallen; later; lauw; ledikant; leesboek; lelijkerd; lengte; les volgen; leuning; leunstoel; levensgevaarlijk; lichaamsdeel; lichtflits; lidwoord; lieden; liefste; lieveling; ligfiets; liggend; lijk; lijst; linksaf slaan; linksboven; linksonder; litteken; loeien; logé; logeerkamer; logeren; logo; lollig; loon; losbarsten; lospeuteren; lot; loterij; luchtbel; lui; luidkeels; luieren; luilak; lummel; lunch

M

maal; maat; machine; magisch; majesteit; mak; makker; maliënkolder; manchet; maneschijn; mank; marktplein; matroos; mayonaise; medaille; medeklinker; medewerker; meervoud; meeslepen; meesleuren; meetlat; meetlint; meevoeren; mekkeren; melktand; men; meppen; merel; met een vaart; met gemak; met volle teugen genieten; met z'n allen; meter; metro; meubel; middelbaar; middelpunt; middernacht; mijter; milieu; minuut; misselijk; mixer; mode; moeite waard; molshoop; monster; mormel; mountainbike; muil (bek); muisstil; muzikaal

N

naaldbos; nablijven; nagel; najaar; nakijken; nat; neef; neerknielen; neervallen; nekvel; nerf; nerveus; nestelen; neusgat; nicht; niemand; niet meer kunnen; nieten; nietes; nietje; nieuwslezer; nogmaals; noot; nors; notenkraker; noteren; nou, vooruit dan maar; nu

O

om hulp roepen; oma; omkijken naar; omkleden; omruilen; omspitten; omweg; omwisselen; onbelangrijk; onbeleefd; onder gaan; onderaards; onderbreken; onderdaan; onderdeel; onderweg zijn; onderzoeken; oneerlijk; oneven; ongeduldig; ongemerkt; ongezond; onnozel; ontdooien; ontelbaar; ontevreden; onverstaanbaar; ooglid; oogst; oorverdovend; op hol slaan; op iemand passen; op je kop krijgen; op pad gaan; op zijn (uit bed); opa; opblazen; opdracht; opdrogen; opduiken (verschijnen); opeens; open haard; open plek; openbaar vervoer; opendraaien; openingstijd; openslaan; openstaan; operatie; opereren; opgaan; opgewonden; opkomen; oplossing; oppeuzelen; oppoetsen; oppompen; opstappen; optrekken met iemand; opvallen; opvoeden; opvoeren; opvrolijken; opzet; orkest; ouderdom; overall; overburen; overgeven; overgrootvader; overlijden; overstappen; overtreding; overwinning; overzichtelijk

P

paar; paardenstaart; paddenstoel; pakket; paleis; palmboom; paperclip; paradijs; pardoes; parel; parfum; parkeren; partij (feest); partij (spel); passen bij; passen en meten; patiënt; patroon; patserig; pedaal; peddel; peddelen; penseel; pepermunt; perforator; perron; pest in hebben; peuter; pier; plaag; plaatsbewijs; plafond; playbacken; plezierig; ploeg; pluimstaart; podium; poedel; poelier; poetsen; poëzie; poëziealbum; pollepel; pony; porren; portret; pot; potdicht zitten; poten; praatje; prachtig; precies; prei; presentator; pretje; prettig; priklimonade; proefpersoon; proeven; proost; proosten; pruik; prullenbak; pruttelen; puffen; punaise; punt; puntenslijper; puntig; pupil

R

racefiets; racen; rammelen van de honger; ras; raspen; ravijn; reageren; rechtsaf slaan; rechtsboven; rechtsonder; reep; regenachtig; regenwolk; reisleider; reistijd; reken maar; rekensom; reling; ren; rennen; retour; reuzenrad; ribben; richten; ridder; riddertijd; riet; rijmen; rijmwoord; rijweg; rijzen; rilling; rimpelen; ritssluiting; roeiboot; roffelen; rok; rollen verdelen; rolstoel; rommelig; rondrijden; rondvliegen; roofdier; roofvogel; rooien; roosteren; rot; rot (naar); rotje; rotsblok; rotstreek; rubber; ruiken; ruïne; ruit; rumoer; rund; ruziën

S

samenwerking; saus; scène; schaats; schaken; schateren; schatkist; scheel kijken; schepje; schepsel; scherf; schichtig; schiettent; schild; schipbreukeling; schok; schoolboek; schoonmaakmiddel; schorsen; schort; schrik; schrobben; schroef; schroevendraaier; schubben; schuurpapier; schuurspons; schuw; seizoen; senior; shampoo; show; sieraad; siervuurwerk; sikkel; sinterklaasfeest; sissen; sjaal; sjeik; slagwerk; sleeën; slimmerik; slinger; slingeren; slobberen; sloop; slot (eind); slot (kasteel); sluitingstijd; slungel; slurpen; smakken; smerig; smoes; snaar; snateren; sneeuw; snelkookpan; snijden; snijtand; snik; snikken; snoeien; snorharen; snorkel; snotteren; snuit; snurken; som; som (totaal); soppen; souvenir; spaak; spaargeld; spaarvarken; spatel; spatten; specerijen; speculaas; spierwit; spin; spitten; splinter; spoedeisende hulp; spoken; spookachtig; sporthal; spreuk; springlevend; sproeien; sproet; sprong; spuwen; staand; staat je goed; stadion; staf; stam; stamboom; stampvoeten; standbeeld; stang; start; steek; steel; steelpan; steigeren; steil haar; stel; steun; stevig; stoel; stof; stofdoek; stoffer en blik; stofzuigen; stokbrood; stokoud; stomerij; stomkop; stommerd; stommerik; stoomtrein; stoplicht; stoppel; storen; stormen; straal; strafwerk; stralend weer; streepjescode; strijkbout; strijkers; strijkijzer; struikgewas; studio; stuur; stuurhut; stuurwiel; sudderen; suikerbiet; suikerspin; sultan

T

taalboek; taart; taartblik; tabberd; tafel; tafel (rekenen); tafellaken; talentvol; tandenborstel; tandpasta; tang; tante; tapijt; te gek; te weten komen; teer; tegengesteld; tegensputteren; tegenstribbelen; tehuis; teil; tekstballon; telbaar; tennis; tennisbal; territorium; theater; theekop; theelepel; thermometer; tijdrekken; tijdschrift; tjilpen; toelaten; toernooi; toeschouwers; toestaan; toestemming; toets; toetsen; toetsenbord; tof; tollen; toneel; toneelstuk; tong; top (bovenaan); toren; torenklok; tornado; tot nu toe; tot slot; toupet; tovenaar; tovenarij; toverij; toverkracht; toverspreuk; toverstaf; toverstokje; trainingspak; tramrails; tranen; trapper; trede (trap); tree (trap); treinstel; trek; trekken; trekker; trekvogel; treuzelen; tribune; troebel; trommelen; troosten; trottoir; trouwambtenaar; trui; t-shirt; tuinieren; tuinpad; tunnel; turen; tussenin; tweedehands; tweelingbroer

U

uit het hoofd kennen; uit je nek kletsen; uitbarsten; uitbarsting; uitbroeden; uitchecken; uitdagen; uitdraaien; uitgummen; uitroep; uitroepteken; uitslag (resultaat); uitslapen; uitspugen; uitstappen; uitverkocht; uitwerpen; uitzenden; uitzending; uitzetten; uitzwaaien; uniform

V

vaag (onduidelijk); vaandel; vaat; vaatwasser; vak; val; vallen; vals spelen; valstrik; vampier; van belang zijn; van harte; van levensbelang; van nu af aan; van top tot teen; vanachter; vasteland; vastgrijpen; vastklampen; vechtersbaas; vechtpartij; veearts; veelvraat; velocipede; verbinding; verbod; verbouwen; verbranden; verdediger; verdieping; verdorren; verdoving; verdrietig; verdwalen; vergiet; verhemelte; verjaardag; verkeersbord; verkeersbrigadier; verkeersmaatregel; verkreukelen; verlanglijst; verlichting; verlies; vermenigvuldigen; vermoeid zijn; verpakking; verraden; verrader; verre tocht; vers; verschijnen; verschil; versiering; verslaan; verslaggever; verslapen; verspreid; vertrek; vertrekken; vertrektijd; vervoermiddel; vervolg; verwelken; verwijderen; verwilderen; verwoesten; verzamelen; verzekeren; verzorging; veulen; viezigheid; villa; vinnen; visboer; visnet; vissen; visser; vitrage; vlag; vlag uithangen; vlaggenmast; vlecht; vliegeren; vlies; vlinder; vloedgolf; vloerbedekking; vloeren; vlok; vlucht; voederen; voeding; voedsel; voelen; voelspriet; voeteneinde; voetganger; voetgangerslicht; voetje voor voetje; voetpad; volière; volkstuin; volleybal; volwassen; voor staan; voordragen; voorjaar; voorpoot; voorsprong; voortand; voortreffelijk; vouwfiets; vraagteken; vrezen; vriezer; vrij (tamelijk); vroeger; vrolijkheid; vulling; vulpen; vuurpijl

W

waaien; waarachter; waardeloos; waardevol; waarlangs; waarnemen; wacht; wacht houden; wachtwoord; wagenwijd openstaan; wagenziek; walgelijk; wandelaar; wandelstok; wankel; wapperen; warempel; warmte; wasgoed; waslijn; wasmachine; wastafel; wasvoorschrift; wat hebben we toe?; wat is er aan de hand; waterlelie; watermolen; waterval; watervogel; weerman; weerwolf; wegblijven; wegvliegen; wekken; welja; welles; wereldkampioenschap; werkplaats; werkster; wieden; wiek; wijsje; wimpel; winkelmandje; winter; winterdag; wintertijd; wintervoorraad; wipneus; wissel; wisselen; witheet zijn; woedend; wond; wonderbaarlijk; wondermooi; woonhuis; woonwijk; woordenschat; wortel (plant/boom); wroeten

Z

zadel; zangles; zebrapad; zeebodem; zeelieden; zeelui; zeepaard; zeeziek; zeg het maar; zeilboot; zenden; zenuw; zet hem op; zeurkous; zeven; zich aan de regels houden; zich afzetten; zich bedenken; zich beheersen; zich druk maken; zich een ongeluk schrikken; zich schamen; zich schrap zetten; zich uitrekken; zich vermaken; zich verschuilen; zich vervelen; zich zorgen maken om; ziekte; zien; zij aan zij; zijn geduld verliezen; zijn kop houden; zijstraat; zilver poetsen; zitkamer; zitting (stoel); zo meteen; zoeken; zoet; zolder; zolderkamer; zoldertrap; zomer; zomerdag; zomertijd; zonder; zonnebloem; zonnebrandcrème; zonnebrandolie; zonnen; zonneschijn; zonsondergang; zonsopgang; zoogdier; zorg; zorgvuldig; zout; zuurstof; zuurstok; zuurtje; zwaai; zweefmolen; zwemvest; zwemvliezen; zwerm

Afkomstig van Wikikids , de interactieve Nederlandstalige Internet-encyclopedie voor en door kinderen. "https://wikikids.nl/index.php?title=Index_basiswoordenlijst_groep_4&oldid=567077"