Economie

Uit Wikikids
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Under construction icon-red.svg Werk in uitvoering!
Aan dit artikel wordt de komende uren of dagen nog gewerkt.
Belangrijk: Laat dit sjabloon niet langer staan dan nodig is, anders ontmoedig je anderen om het artikel te verbeteren.
De maximale houdbaarheid van dit sjabloon is twee weken na de laatste bewerking aan het artikel.
Kijk in de geschiedenis of je het artikel kunt bewerken zonder een bewerkingsconflict te veroorzaken.
Under construction icon-red.svg
Dit artikel is nog niet af.

Economie is een woord voor geld, werk en handel, oftewel alle dingen in een land waar het om geld draait.

In Nederland wordt economie als vak op iedere middelbare school gegeven. Het is een zogenaamde sociale wetenschap. Het houdt zich ondere andere bezig met wisselkoersen, met de waarde van geld (valuta in de economie) en met handelsrelaties tussen landen.

Iemand die gestudeerd heeft voor economie is eigenlijk een wetenschapper. Hij of zij heeft erg veel kennis van de economie, en weet er dus enorm veel van af. Zo iemand noem je een econoom.

Geschiedenis

Vroege economie

De economie bestaat al sinds de landbouwrevolutie in de prehistorie. Met de komst van landbouw gingen mensen zich vestigen op een bepaalde plaats. In plaats van het zoeken van vruchten en het jagen op dieren, ging men nu gewassen verbouwen en dieren op weides houden. Dit leidde tot het ontstaan van dorpen met huizen. Doordat de mensen niet zich niet steeds hoefden te verplaatsen, hadden zij ook meer bezittingen, zoals potten om voorraden in te hebben. Doordat men met meerdere mensen in één dorp woonde, konden mensen zich specialiseren in één of meer producten. Men kon hierdoor die producten met een ander ruilen. Stel je bent een boer en hebt koeien, die melk geven. Je kon dan de melk ruilen met een buurman, die bijvoorbeeld weer potten bakte. Hierdoor ontstonden ook diensten. Je kon de melk of de potten ook geven aan iemand, die vervolgens jouw dak weer maakte. Het maken van een dak is geen product, maar een dienst.

In Mesopotamië ontstond de eerste echte handel. De handel werd ook op kleitabletten bijgehouden. Aristoteles hield zich met één van de eerste economische thema's bezig, namelijk of eigendom in bezit van een privépersoon moest zijn of in handen van de maatschappij. Aristoteles kwam met het antwoord dat bezit voor de massa was, maar dat het in handen moest zijn van een privépersoon. Economische onderwerpen vielen toen nog onder de politiek, de rechtvaardigheid of de ethiek.

In de middeleeuwen kwam Thomas van Aquino met het begrip de juiste prijs. Volgens hem was het niet goed als verkopers de prijs van een goed verhoogden als de vraag hoger was dan het aanbod. Ook vond hij dat verkopers geen goederen konden verkopen die niet van hem waren of kapot waren. John Duns Scotus​ vulde dit aan door te benadrukken dat de kosten van arbeid en de inkoopkosten van materialen ook in de prijs verwerkt moesten worden.

Mercantilisme en kolonialisme

Tot aan de middeleeuwen was de economie vooral gericht op de lokale omgeving, zoals een stad of een bepaalde regio. Er was weliswaar handel met andere steden, zoals in de Hanze, of met Azië, via de Zijderoute. Toen Columbus Amerika ontdekte kwam hier verandering in. Men zag nieuwe handelsmogelijkheden met Amerika en Azië. In deze tijd begonnen de Europese landen ook het koloniseren, wat ook een economisch doel had. In Noord-Amerika hoopte men waardevolle materialen te vinden, zoals goud en zilver. In Azië wilde met specerijen vinden, zoals nootmuskaat, kruidnagel en peper. Daarnaast was er nog vraag naar textiel en porselein uit voornamelijk China. In de koloniën richtte met plantages op voor bijvoorbeeld tabak, koffie, thee en katoen. Veel landen richtte handelscompagniën op voor handel met deze gebieden, zoals de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) voor de handel met Indië.

Het lokalisme werd vervangen door het mercantilisme. Deze theorie stelde dat men militaire macht kon gebruiken om de handel veilig te stellen. Ook had men hoge importtarrieven en stimuleerde men de export. Hierdoor verdiende het land veel geld. Vooral Frankrijk was gedreven in het mercantilisme. De bevolking zelf ging er echter niet op vooruit. Het verdiende geld werd vooral voor het voeren van oorlogen en de dure levensstijl van de koning gebruikt. Het mercantilisme ging dan ook met de Franse Revolutie ten onder.

Adam Smith en de Klassieken

Ondertussen was de verlichting bezig. Tijdens de verlichting ontstonden ideeën van vrijheid en gelijkheid. Ook ontstond de economische vrijheid en het recht op bezit. Tijdens de verlichting ontstond de moderne economie. De Schotse filosoof Adam Smith speelde hier een belangrijke rol in. Smith schreef het boek The Wealth of Nations. Volgens Smith moest de overheid zich zo min mogelijk met de economie bemoeien. Als je vraag en aanbod de vrije loop liet gaan zou er uiteindelijk meer welvaart komen. Smith keurde ook slavernij uit, dat voorheen belangrijk was in de koloniën, aangezien het dwingen tot werk geen motivatie voor de werknemer was. Als een werknemer geld zou verdienen, zou hij harder werken en dus meer geld verdienen. Door Smith's boek ontstond de vrijemarkteconomie en de volgelingen van Smith wordt de Klassieke Economen genoemd.

Smith stelde ook dat een economische crisis zou worden opgelost als de overheid niets deed. Later zou Keynes hier kritiek opgeven en nieuwe kijk op de economie geven. Onder Smith ontstond ook de industriële revolutie. Hierdoor werden de verschillen tussen arm en rijk en de slechte werkomstandigheden in ene keer goed zichtbaar. In de 19e eeuw zou een andere filosoof hier veel kritiek opgeven...

Karl Marx en het communisme

Die filosoof was de Duitse Karl Marx. Marx zag de geschiedenis als een lange strijd tussen verschillende economische klassen. Tijdens elke geslaagde oorlog of revolutie werd de heersende klasse vervangen door een andere heersende klasse, maar voor de rest veranderde voor de grotere, onderdrukte klasse weinig. De heersende, rijke klasse werd de bourgeoisie genoemd en bestond uit o.a. de koning, de adel, fabrieksdirecteuren en iedereen die voor de rest rijk was. De bourgeoisie had veel bezittingen en vermogen, maar was veel kleiner dan de andere klasse. De andere klasse heette het proletariaat, dat volgens Marx geen bezittingen of vermogen had. Hierdoor had het proletariaat geen macht en kon niets aan zijn situatie veranderen. In Das Kapital werkte Marx zijn theorieën uit. Marx zag de strijd tussen de bourgeoisie en het proletariaat als de laatste klassenstrijd. Het proletariaat moest de bourgeoisie in een revolutie afzetten en kon daarna al het bezit eerlijk verdelen. Hierdoor werd geproduceerd voor de maatschappij zelf en iedereen zou hiervan profiteren.

Marx's ideeën leidde tot het socialisme. Het socialisme vocht voor de rechten van arbeiders en landbouwer. Onder het aan de macht komen was echter een onenigheid. Dit leidde tot de splitsing van het socialisme. Het communisme wilde aan de macht komen door middel van een revolutie. De sociaaldemocratie wilde daarentegen op democratische wijze aan de macht komen. Volgens Marx zou het communisme als eerste voet krijgen in West-Europa en de Verenigde Staten, aangezien hier de industrieën waren. Dit zouden het centrum worden van het communisme volgens Marx. Toch verliep het iets anders, in Rusland (dat afhankelijk van de landbouw was) zou de Russische Revolutie plaatsvinden. Dit leidde tot het stichtten van de eerste communistische staat in 1922, namelijk de Sovjet-Unie.

De Beurskrach en de Keynesiaanse economie

In Europese en Verenigde Staten heerste de theorieën van Adam Smith en de Klassieke Economen nog steeds. Dit veranderde tijdens de beurskrach van 1929, dat tot een diepe economische crisis en hoge werkloosheid leidde. 25% van de mensen was werkloos geworden. De Britse econoom John Maynard Keynes had ondertussen zijn ideeën ontwikkeld in The General Theory of Employment, Interest and Money. Keynes was meest invloedrijke econoom van de 20e eeuw en zijn invloed rijkte tot aan de jaren 60.

De Keynesianen wilden dat de overheid in het geval van een crisis juist meer geld uitgaf. Door middel van projecten als het bouwen van wegen of het aanleggen van bossen, werd de werkloosheid verlaagd. Meer mensen hadden werk en inkomen en konden dus meer geld uitgeven. Hierdoor kwam de economie weer op gang en kwam men sneller uit de economische crisis. De Keynesianen bepaalde het economische beleid tot aan de jaren 60.

Economie na de Tweede Wereldoorlog

In 1944 leidde Keynesianen tot het systeem van Bretton Woods. Aangezien de Amerikaanse economie het hardste groeide, verbonden 44 landen hun munteenheid met die van de Amerikaanse dollar. De Amerikaanse dollar was weer verbonden met de goudstandaard. In de jaren 50 en 60 groeide de economie hierdoor erg snel. Mensen hadden het beter dan ooit te voren. In West-Europa kwam de welvaartsstaat op gang, waarbij er de overheid voor de burgers gingen zorgen. Ouders, zieken, werklozen, mensen met een beperking en arbeidsongeschikten kregen een uitkering (onder bepaalde voorwaarden). De welvaart van gezinnen ging omhoog en men kon zich luxe producten, zoals een radio, televisie en auto veroorloven. Ook gingen steeds meer mensen op vakantie. Het systeem van Bretton Woods stopte als gevolg van de oliecrisis van 1973. Deze leidde wereldwijd tot een economische crisis en het einde van de Keynesiaanse economie.

De vaste wisselkoersen werden vervangen door zwevende, die per moment verschilden. In de jaren 80 en 90 probeerde men de economie te vernieuwen. Veel West-Europese landen deden dit door middel van privatisering. Overheidstaken werden voortaan door het bedrijfsleven gedaan. Ook werd er gekort op uitkeringen, om zo minder belasting te hoeven heffen. Vooral liberale en christendemocratische politieke partijen zijn hiervoor. Milton Friedman was één van de belangrijkste voorvechters van dit vrijemarktkapitalisme. Friedrich Hayek kwam met het neoliberalisme, waarbij liberale partijen sommige socialistische ideeën overnamen (zoals extra geld voor onderwijs).

De Europese landen verloren gedurende de 20e eeuw veel van hun koloniën. Na de Tweede Wereldoorlog waren de Verenigde Staten, West-Europa en Japan de drie belangrijke economieën ter wereld, die samen de handelstriade genoemd werden. Eind jaren negentig wisten o.a. Singapore, Zuid-Korea, Hongkong en Taiwan zich in korte tijd te ontwikkelen tot moderne economieën. In de 21e eeuw kwamen nieuwe economieën op, zoals China, India, Brazilië, Zuid-Afrika, Indonesië, Mexico en de Oost-Europese landen. Hierdoor verplaatst het economische evenwicht in de wereld. China heeft inmiddels de VS ingehaald als grootste economie ter wereld. Sinds de Tweede Wereldoorlog is de globalisering toegenomen in de wereld. Ook werden er vrijhandelsakkoorden gesloten tussen landen, zoals tussen de landen van Europese Unie.

Betrokken personen/instanties

Consumenten en producenten

De twee belangrijkste groepen in de economie zijn de consumenten en de producenten. De consumenten zijn degenen die producten of diensten nodig hebben, zoals boodschappen of een bezoek aan de kapper. Consumenten worden in het dagelijks taalgebruik vaak gezien als huishoudens (gezinnen) en losse personen. De producenten maken producten of voeren diensten uit (produceren). Producenten zijn doorgaans bedrijven of individuele personen, zoals iemand met zijn eigen bedrijf (eenmanszaak).

Een persoon kan zowel een producent of consument zijn. Wanneer een boer bijvoorbeeld aardappelen verkoopt is hij/zij een producent. Wanneer deze boer vervolgens naar de supermarkt gaat om boodschappen te doen is hij/zij een consument. Een bedrijf dat grondstoffen koopt bij een ander bedrijf is op dat moment een consument.

De consument wil een product of dienst en een producent biedt een product of dienst aan. Dit leidt uiteindelijk tot een bepaalde prijs. De plaats waar aanbod en vraag samenkomen wordt een markt genoemd. Oorspronkelijk werden prijzen ook de markt bedacht, maar tegenwoordig gebeurd dat in kantoren. Desondanks blijft deze plaats een markt genoemd worden.

Productiefactoren

Voor het maken van producten zijn er vier productiefactoren. Dit zijn de manieren waarop een bepaald goed/dienst gemaakt wordt. De vier productiefactoren zijn:

  • Natuur/land: dit zijn alle producten die rechtstreeks uit de natuur komen. Voorbeelden zijn niet-bewerkte voedingsmiddelen, zoals groente, fruit, graan, rijst, melk en eieren. Ook vlees en vis vallen hieronder. Daarnaast vallen alle natuurlijke hulpbronnen hieronder, zoals staal, steenkool, aardolie, edelstenen, goud, zilver, etc. Ook het kappen van bomen en het hout dat daarvan komt valt onder natuur. Deze producten worden geleverd door de landbouw, de visserij en de mijnbouw.
  • Arbeid: dit zijn alle producten die door mensen zijn verwerkt tot een producten. Arbeid vindt voornamelijk plaats in fabrieken, waar bijvoorbeeld kleding, elektronica, meubels, servies, installaties en allerlei andere producten gemaakt worden. De arbeid haalt zijn grondstoffen uit de productiefactor natuur/land.
  • Kapitaal: dit zijn alle machines en investeringen die nodig zijn voor het maken van producten. Voorbeelden zijn machines, gebouwen, transportmiddelen, installaties, fabrieken, etc. De sector kapitaal bevat geen menselijke personen.
  • Ondernemerschap: dit zijn alle mensen die de drie andere productiefactoren leidden. Zij zijn verantwoordelijk voor het eindproduct en geven de opdracht om een product te maken. Daarnaast ontwerpen ze producten, verkopen deze, kopen materialen in en promoten een product.

Deze drie factoren komen terug in de productieketen. In de productieketen zie je hoe een product van begin tot eind gemaakt wordt. Bij iedere schakel in de productieketen wordt een beetje waarde aan het product toegevoerd. Deze waarde zijn weer inkomsten voor de mensen die er aan mee hebben gewerkt.

Iedere productiefactor heeft zijn eigen beloning; voor natuur/land is dit pacht, voor arbeid is dit loon, voor kapitaal is dit rente (of interest) en voor ondernemerschap is dit winst.

Banken

Banken zijn speciale bedrijven. In economische schema's staan ze daardoor vaak apart. Banken spelen een belangrijke rol in de hedendaagse economie en zowel consumenten als producenten (en de overheid) krijgt met ze te maken. Consumenten hebben doorgaans spaargeld op de bank staan, net als vele bedrijven. Ook kunnen consumenten en bedrijven geld lenen bij banken. Een consument doet dit vaak om een huis te kopen (de zogeheten hypotheek), terwijl bedrijven dit doen om bijvoorbeeld een investering te doen. Ook leent de overheid geld bij banken en heeft fondsen bij banken.

Banken worden ook wel de financiële sector genoemd. Naast het lenen en sparen van geld spelen ze een rol bij het wisselen van geld (bijvoorbeeld de euro voor de Amerikaanse dollar). Ook lenen ze geld aan mensen om een bedrijf op te starten of lenen ze geld aan een bedrijf om het juist niet failliet te laten gaan. Wat hierboven beschreven wordt zijn zogeheten commerciële banken. Een commerciële bank mag niet door elkaar gehaald worden met een centrale bank. Een centrale bank is namelijk een overheidsinstantie. Een centrale bank houdt toezicht op de commerciële banken en mag (als enige bank) geld drukken.

Economie als wetenschap

Behoefte en schaarste

In de economie gaat men ervanuit dat iedereen bepaalde behoeften heeft. Doorgaans hebben we meer behoeften dan dat we kunnen betalen. Hierdoor moeten we prioriteiten stellen; de belangrijkste behoeften komen eerst. De belangrijkste behoeften worden de primaire levensbehoeften of basisbehoeften genoemd. Hieronder vallen voedsel, (drink)water, kleding, onderwijs, gezondheidszorg (indien nodig) en onderdak (een huis). Nadat deze behoeften vervuld zijn blijft doorgaans een bepaald bedrag over, dat we kunnen gebruiken voor de secundaire levensbehoeften. Dit zijn bijvoorbeeld een nieuwe telefoon, een auto, een vakantie of uit eten gaan. De primaire levensbehoeften zijn noodzakelijk om te overleven, terwijl de secundaire levensbehoeften het leven leuker of aangenamer maken.

Daarnaast gaat de economie ervanuit dat er een schaarste is in producten/diensten. Schaarste ontstaat wanneer er meer vraag is dan aanbod. Er zijn twee soorten schaarsten:

  • Absolute schaarste betekent er (veel) te weinig van een bepaald goed is. Een voorbeeld is dat er te weinig voedsel is in Afrika, waardoor hongersnoden ontstaan.
  • Relatieve schaarste betekent dat er tijd of productiemiddelen gespendeerd moeten worden om een bepaald goed te maken of bij de consument te brengen.

Tegenovergestelde van schaarste bestaat ook. Sommige goederen hebben geen prijs en heten daarom vrije goederen. Voorbeelden zijn zonlicht, lucht, zeewater, bladeren die in de winter van de bomen afvallen, etc.

Betaalmiddelen

Door vraag en aanbod ontstaan dus prijzen. Deze prijzen werden oorspronkelijk gedaan door middel van directe ruil. Bij directe ruil werd een goed geruild voor een ander goed. In de prehistorie werden bonen bijvoorbeeld geruild voor potten. Een bepaald kilo bonen werd geruild tegenover een bepaald aantal potten. De Europese ontdekkingsreizigers deden dit bijvoorbeeld ook met de slavenhandel, waarbij zaken als textiel werden geruild voor slaven. Tegenwoordig wordt echter geruild door middel van indirecte ruil. Een product wordt geruild voor geld en dat geld wordt weer geruild voor een ander product. Deze vorm van ruilen komt tegenwoordig het meest voor, maar direct ruil bestaat nog altijd. Een buurman kan bijvoorbeeld de kozijnen schilderen in ruil voor een fles wijn.

Geld is te verdelen in twee categorieën:

Daarnaast bestaat er nog elektronisch geld. In Nederland kon men tot 2015 elektronisch betalen via de Chipknip. Tegenwoordig bestaat er nog steeds elektronisch geld. Voorbeelden van elektronisch geld zijn cadeaukaarten, credits in online-games (zoals Habbo Hotel) en zogeheten cryptovaluta (zoals de Bitcoin).

Geld is tegenwoordig desondanks het belangrijkste betaalmiddel. Geld in een bepaald land of gebied wordt een munteenheid genoemd. In de regel heeft ieder land een aparte munteenheid. Zo is de Deense kroon de munteenheid van Denemarken en is de Japanse Yen de munteenheid van Japan. Tegenwoordig hebben sommige landen dezelfde munteenheid. Liechtenstein en Zwitserland gebruiken beide de Zwitserse frank en een aantal landen in de Europa gebruiken samen de euro. De Amerikaanse dollar wordt doorgaans als de belangrijkste munteenheid gezien. Andere belangrijke munteenheden zijn de euro, de Britse pond, de Japanse yen en de Chinese renminbi. Welke munteenheid een land officieel gebruikt wordt vastgelegd in de wet. In sommige landen met een zwakke economie, zoals Zimbabwe of Venezuela, worden vaak andere, buitenlandse munteenheden aangenomen. Geld wisselen, bijvoorbeeld voor het doen van zaken of voor het op vakantie gaan, gebeurd vaak bij de bank of een geldwisselkantoor. Hoeveel geld men voor de andere munteenheid moet betalen wordt bepaald door middel van de wisselkoers. De wisselkoers is afhankelijk van de economische situatie in een land.

Wet van vraag en aanbod

Zie Vraag en aanbod voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In veel landen wordt de economie geleid door vraag en aanbod. Op de markt bieden producten hun producten aan en vragen consumenten om producten. Zij komen op de markt samen en onderhandel over een prijs, die de marktprijs genoemd wordt. Dit kan in een grafiek worden uitgetekend. De lijnen van de producent wordt aanbodcurve genoemd en de lijn van de consument de vraagcurve. Het punt waar de twee samenkomen wordt het break-evenpunt genoemd. Hierbij hoort bepaald aantal producten en een bepaalde prijs.

Soms neemt de vraag voor een product af en blijft het aanbod hetzelfde. In dat geval daalt de prijs. Dit zie je bijvoorbeeld wanneer een product "uit de mode" raakt, zoals de videoband. Wanneer de vraag stijgt, stijgt de prijs ook. Dit zie je bijvoorbeeld wanneer een nieuw product uitkomt, zoals een nieuwe telefoon. Aan de andere kant ook het aanbod dalen. Dit gebeurd bijvoorbeeld met aardappels wanneer er een misoogst is. In dat geval stijgt de prijs. De prijs daalt wanneer het aanbod toeneemt. Dit gebeurd wanneer er bijvoorbeeld heel veel aardappels vanuit het buitenland komen.

Op de arbeidsmarkt werkt vraag en aanbod iets anders. Werk wordt namelijk aangeboden door de werknemer en gevraagd door de werkgever. Vaak wordt de arbeidsmarkt als één geheel weergeven. Wanneer er meer aanbod is dan vraag spreken we van een krappe arbeidsmarkt, terwijl we van een ruime arbeidsmarkt spreken als er meer vraag is dan aanbod. Op een krappe arbeidsmarkt is sprake van werkloosheid, maar op een ruime arbeidsmarkt is dit ook het geval. Dit laatste komt doordat alle beroepen in dit soort grafieken samen worden gevoegd tot arbeid. Men ziet arbeid als één beroep, terwijl dit in praktijk niet zo is. Een advocaat kan bijvoorbeeld niet het werk doen wat een dokter doet. Als er meer advocaten zijn dan dat er gevraagd worden, maar voor de rest van de beroepen is er juist een tekort, kan er als nog sprake zijn van werkloosheid (ook al is de arbeidsmarkt ruim).

Sparen en lenen

De (commerciële) banken kun je sparen en lenen. Huishoudens en bedrijven zetten geld op een zogeheten spaarrekening. Door het zetten van geld op een spaarrekening ontvangt men spaarrente, een soort van bedankje van de bank voor het spaargeld. Het spaargeld blijft eigendom van het huishouden of het bedrijf, maar de bank heeft toestemming om het geld uit te lenen aan iemand of een bedrijf die geld nodig heeft. Zij sluiten een lening af. De lening betalen ze in een bepaalde periode terug, vaak in termijnen (iedere maand een beetje). Over de lening moet de lener geld betalen aan de bank, dat (verwarrend genoeg) ook rente genoemd wordt. Deze rente zijn inkomsten voor de bank. Een deel van de rente wordt gegeven als spaarrente aan de spaarders. Een ander deel wordt gebruikt om de medewerkers en kosten van de bank te betalen. Nog een deel is winst voor de directeur(en).

De hoogte van de rente wordt bepaald door de centrale bank. De hoogte is afhankelijk van de economische situatie in een land. Als in een land een crisis is kan de rente worden verlaagd. Met een lage rente wordt lenen aantrekkelijk en sparen onaantrekkelijk. Hierdoor gaan consumenten en bedrijven meer geld uitgeven. Zij doen bijvoorbeeld investeringen, gaan op vakantie of besluiten een nieuwe auto te kopen. Op deze manier hoopt een overheid uit de economische crisis te komen. De vraag naar producten en diensten wordt hoger en dus is er meer vraag naar werknemers (de werkgelegenheid stijgt).

Aandelenbeurs en beleggen

Daarnaast is er nog de aandelenbeurs. Grote (internationale) bedrijven, zoals Apple, Microsoft, Unilever, Shell of McDonalds, spelen een grote rol in de economie. Mensen, banken en bedrijven kunnen een deel van het bedrijf kopen (een aandeel). Als een bedrijf wist maakt, wordt dit aandeel meer waard. Maakt een bedrijf verlies, wordt het aandeel juist minder waard. Aandelen worden verhandeld op de aandelenbeurs. Het verhandelen van aandelen wordt beleggen genoemd. Een bekende aandelen is de New York Stock Exchange op Wall Street in New York City. Ieder land heeft wel één of meerdere aandelenbeurzen.

Beleggen brengt zijn risico's met zich mee. Iemand kan letterlijk geld verliezen in een foute belegging. Een bekend verhaal is die van de Internetzeepbel. Tussen 1997 en 2000 stegen de aandelen van internetbedrijven enorm snel. Iedereen begon in internetbedrijven te beleggen. In 2000 stortte de koersen echter in en daalden de waarden van de aandelen flink. Veel economen zeggen dit bijvoorbeeld ook met de Bitcoin kan gebeuren. Het instorten van een bepaalde aandelenkoers kan een economische crisis als gevolg hebben. Ook kunnen alle (of de meeste) aandelen in ene keer instorten. Dan spreken we van een beurskrach, zoals de beurskrach van 1929.

Deelterreinen

Micro-economie of huishoudkunde

Bedrijfseconomie

Macro-economie en de overheid

Internationale economie

Economie als systeem

Economische sectoren

Organisatievormen

Bronnen

Afkomstig van Wikikids , de interactieve Nederlandstalige Internet-encyclopedie voor en door kinderen. "https://wikikids.nl/index.php?title=Economie&oldid=625764"