Boon

Uit Wikikids
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een boon is het zaad van enkele peulvruchten, vandaar ook de andere naam "peul", als voedsel weinig smakelijk en vaak met grote tegenzin gegeten. Beroemd zijn de woorden van Bartje in het boek van Anne de Vries: "Ik bid niet voor bruun boon'n". Boon komt ook voor in diverse spreekwoorden: "Je eigen boontjes doppen"; "Honger maakt rauwe bonen zoet", "Voor spek en bonen meedoen", "Ik ben een boon als ik het snap", enzovoorts.

Bonen

Kenmerken van de gewone boon

De boon is een groente. Hij is familie van de peulvrucht waarvan de zaden gedroogd worden gegeten, behalve bij de sperzieboon en de tuinboon. De boon is afkomstig uit Noord- en Zuid- Amerika en is familie van de Lupinen. Lupinen kennen we als zeer mooie planten en snijbloemen in allerlei kleuren en varianten. Ze hebben niet zo’n lange levensduur. Uit China komt een ander soort boon: ‘de Vigna’. De Vigna is geen familie van de Lupinen.

De boon kent wel 50 soorten, maar slechts vijf zijn er geschikt om als groente te telen. Hiervan wordt de gewone boon het meeste gebruikt. De opbrengst is hoog, gemiddeld 700 kg per hectare. Onder goede omstandigheden kan de opbrengst wel 2000–3000 kg per hectare zijn. Ze groeien onder zeer verschillende omstandigheden als er maar genoeg voeding, vocht en zon is.

De gewone boon heeft een hoge waarde proteïne, 20-22% van het gewicht. Voor 4½ miljard mensen in de wereld is dit de enige bron van proteïne (vooral Latijns-Amerika).

Bevruchting van de bloemen

De bestuiving vindt plaats door insecten. Die nemen stuifmeel mee aan hun poten. Als de stempel rijp is en wordt bestoven door stuifmeel van een soortgenoot. Dan groeit uit de stuifmeelkorrel een buisje, de ‘stuifmeelbuis’. De stuifmeelbuis gaat door de stijl naar het vruchtbeginsel en dringt door tot het zaadbeginsel. De mannelijke geslachtscel uit de stuifmeelkorrel versmelt met het vrouwelijke geslachtsdeel uit het zaadbeginsel. Voor ieder zaadbeginsel is tenminste één stuifmeelkorrel nodig. Zodra de zaadbeginsels zijn gevormd sterven de bloemdelen af. Uit het zaadbeginsel groeit het zaad dat de nieuwe plant in embryonale fase bevat. De embryonale plant is een kleine wortel, een stengel en twee bladeren in aanleg.

Het vruchtbeginsel groeit mee met de zaden. Dit vormt de vrucht van de plant. De boon heeft twee zaadlobben die dienst doen als de plant gaat uitlopen. Om de zaadlobben heen zit een zilverhuid (testa) die zuurstof doorlaat. Van half september tot half oktober kunnen de zaden worden geoogst en daarna worden ze gedroogd. Na 4-6 weken drogen kunnen de bonen in de schil worden bewaard.

Factoren bij de groei

Voor het ontkiemen van het zaad in de voedingsrijke bodem is de temperatuur en zonlicht van belang. De zaden ontkiemen met rood licht. Ook het dagdeel van een etmaal moet lang genoeg zijn, zodra de vorst uit de grond is. Bij vorst ontkiemen de zaden niet. Dan breken de microscopisch kleine organismen, in de bodem, de zaadhuid of zaadschil af. In de bodem kunnen zich schadelijke bacteriën en zwammen bevinden. Die zorgen ervoor dat het zaad niet ontkiemt of niet goed tot volwassen plant kan groeien.

Groene Bladluis

Als het zaad te diep in de aarde wordt geplant kan het licht niet door de bovenste laag van de aarde en moet de stengel te ver uitgroeien om de eerste kiembladeren zonlicht te laten opvangen. Dus het plantje komt niet boven de aarde uit.

Tijdens de groeiperiode is voldoende water en voeding nodig, maar ook weer niet te veel; de plant kan dan gevoelig voor wortelrot worden. Zwammen veroorzaken vaak de chocoladevlekkenziekte, voetziekte en voetwortel rot. Bacteriën zorgen meestal voor de vetvlekkenziekte. Ook kunnen bladluizen en bladrandkevers schade aan de plant toebrengen. Virus infecties komen ook voor. De bekendste is: mozaïekvirus.

De bloeiperiode wordt bepaald, als de daglengte lang genoeg is met een verschil van maximaal 2-5 minuten. Voor een gunstige bestuiving staan de bloemen niet allemaal te gelijk in bloei.

De diverse fases tijdens de groei

Als de boon in de herfst op de aarde valt begint de overwinteringsfase. De harde schil beschermt de boon tegen de vorst. Na de vorst begint de kiemperiode. Microscopisch kleine organismen werken in op de schil en bij goede omstandigheden ontwikkelt de boon een worteltje. De goede omstandigheden zijn: voldoende water, voeding, zonlicht, temperatuur en zuurstof.

Het plantje voedt zich met voeding uit de zaadlobben. Vocht wordt door de wortel opgenomen. De boon gaat groeien en moet na ongeveer 10 dagen boven de grond zichtbaar worden. Na het verschijnen van de eerste twee kiembladen noemen we de plant een ‘zaailing’. Dan volgt een periode van groei van ongeveer 3 maanden. Tot de planten ongeveer 150 cm hoog zijn. De hoogte kan per soort anders zijn. Er zijn stamsoorten die groeien zonder steun en er zijn stoksoorten die langs een hek geleid kunnen worden en zo meer opbrengst leveren.

De bloeiperiode start met de meeste bloemen te gelijk en de bestuiving wordt hoofdzakelijk gedaan door insecten. Daarna kan de vrucht zich weer ontwikkelen zie: bevruchting van de bloemen.

Afkomstig van Wikikids , de interactieve Nederlandstalige Internet-encyclopedie voor en door kinderen. "https://wikikids.nl/index.php?title=Boon&oldid=671555"